donderdag 23 februari 2012

Het begin - de magische opzet

Als je een stukje breiwerk in tricotsteek eens heel goed van dichtbij bekijkt, trek er evt. een beetje aan, dan zie je dat elke toer bestaat uit een slinger van lusjes die grijpen in de lusjes van de vorige en de volgende toer. Je kunt het ook omkeren, dan zie je hetzelfde.
Het zou toch mooi zijn als je twee van die rijen lusjes als basis zou kunnen nemen voor een dichte onderkant van een nieuw breiwerk: bijvoorbeeld voor de tenen van een sok. Of het nu gaat om 3 steken naast elkaar, of 20 of meer, het ziet er gewoon mooi uit. Nou, dat kan, kijk maar:


Je ziet het misschien niet duidelijk, maar dit zijn twee rijen lusjes, om elkaar heen, en elke rij op een breinaald, zij het dan in dit geval op een flexibel stukje van een rondbreinaald. Als je hierop begint rond te breien, heb je aan de onderkant geen naad. Hieronder ga ik stap voor stap uitleggen hoe je zover komt. Mocht het niet duidelijk genoeg zijn, laat maar weten, in een reactie of via de mail, ik wil het graag perfectioneren!

Dit is het allereerste begin. Neem de twee naaldjes van de rondbreinaald (ik gebruik er eentje van 80 cm, met een kortere kan het niet, met een langere wel) in je linker hand, en hang de draad ertussen, aan de achterkant hangt het losse eind over de naald heen. Het losse eind moet lang genoeg zijn om de helft van de steken op te zetten.
Misschien is het handig om in je achterhoofd te houden dat alle steken op de voorste naald gevormd worden door het losse eind garen, en alle steken op de achterste naald door de 'werkdraad', waarbij ze tussen de steken door steeds om elkaar 'grijpen'.


Pak nu het losse eind beet, en haal de draad naar voren ...

... tussen de twee naalden omhoog, over de voorste naald heen naar onder.Houd hem daar vast.


Neem nu de 'werkdraad' (die naar de bol loopt), haal hem (voor de andere draad langs) onderdoor naar achter, over de achterste naald heen en ertussendoor weer terug:


En dan weer andersom: je maakt zo steeds een nieuw lusje, om en om op de naalden. Elke steek wordt gevormd door de (ene of de andere) draad van achter naar voren om de daarbijhorende pen te halen: de werkdraad van achter naar voren om de achterste pen (waarbij hij dus tussen de pennen naar onder gaat), de losse draad van achter naar voren om de voorste pen (waarbij hij dus juist tussen de pennen omhooggehaald wordt, en aan de voorkant naar beneden).



Het is even een handigheidje, als je een stuk of 8 steken hebt opgezet, ziet het er zo uit:


Dit is de goede kant van de opzet: twee toeren lusjes die in elkaar grijpen. 'Gewoon' twee toeren tricotsteek:


Je hebt zelfs al een averechte kant gemaakt - logisch eigenlijk:


Bij een magische opzet hoort magisch breien natuurlijk - de zogeheten magic loop methode. Hoe dat gaat, kun je hier lezen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen